El  Gran Capitán  

5 December 2018

el-gran-capitan-1

Het gezegde “Las Cuentas Del Gran Capitán” verwijst naar Gonzalo Fernández de Córdoba (1453-1515). Hij behoorde tot de Andalusische adel en was bekend als ‘el Gran Capitán’ wegens zijn verdiensten als militair in het Spaanse leger van de Katholieke Koningen (Fernando II de Aragón en Isabel I de Castilla).

Belangrijke wapenfeiten van Gonzalo waren o.a. de verovering van Granada in 1492 en het verdrijven van de Fransen uit het koninkrijk Napels in 1496. Hij was een voorbeeldig militair en zijn uitzonderlijk strategisch inzicht maakte hem tot een van de meest bewonderde Spanjaarden van die tijd. Met legers nauwelijks groter dan die van Cortez en Pizarro, wist hij de elitetroepen van de Fransen in het destijds gefragmenteerde Italië te verslaan. Ook was hij een van de eerste Europeanen die tijdens de oorlogsvoering gebruik maakte van loopgraven.

Na de dood van koningin Isabel in 1504 verslechterde langzamerhand de verstandhouding met koning Fernando. De koning was waarschijnlijk jaloers op de toenemende populariteit van Gonzalo, die inmiddels in heel Spanje als een held vereerd werd. Boze tongen beweerden ook dat Gonzalo en Isabel in hun jeugd ooit een intieme relatie hadden.

Het was heel begrijpelijk dat de koning, die nu niet bepaald bekend stond vanwege een innemend karakter, enige moeite had met alle militaire successen die Gonzalo in dienst van het Spaanse Rijk, op het slagveld behaalde. De relatie verslechterde verder toen de koning een nauwkeurig verslag eiste van de militaire uitgaven gedurende de oorlog in Napels.

Ondanks de grote overmacht aan Franse zijde, die bestond uit 25.000 zwaar bewapende soldaten en lansiers, behaalden de Spanjaarden uiteindelijk een eclatante overwinning met een leger van amper 6000 soldaten en 700 ruiters. Op 11 februari 1504 werd de vrede getekend en Gonzalo werd onderkoning van Napels.

Kort daarna eiste koning Fernando een nauwkeurig verslag van de kosten voor deze zeer geslaagde militaire campagne. Een woedende Gonzalo Fernández beantwoordde deze eis met een beroemde rekening die in Spanje voor altijd bekend staat als de “Cuentas del Gran Capitán”.

Zelfs de schraapzuchtige koning had hier niet van terug en hulde zich - zeer terecht overigens - in een beschaamd stilzwijgen.
De rekening luidde als volgt: Honderd miljoen dukaten voor pikhouwelen, schoppen en schoffels om de doden van de vijand te begraven.

Hondervijftigduizend dukaten voor monniken, kloosterzusters en armen om te bidden voor de zielerust van de soldaten van de koning die in de strijd zijn gevallen.

Honderdduizend dukaten voor geparfumeerde handschoenen om de troepen te behoeden voor de stank van de lijken van de vijand. Honderdzestigduizend dukaten om de klokken te repareren, vanwege het constante gebeier bij alle overwinningen op de vijand.

Ten slotte, voor het geduld om deze kleinigheden aangehoord te hebben van de koning die om een rekening vraagt aan iemand die hem een koninkrijk heeft geschonken, het bedrag van honderd miljoen dukaten.

Er bestaat nogal een verschil van mening over de exacte verwoording van deze cuentas en zoals altijd is het moeilijk om feit van fictie te scheiden. De beroemde schrijver Lope de Vega schreef meer dan een eeuw later zelfs een theaterstuk over dit vermeende gebeuren. Tegenwoordig gebruikt men de uitdrukking “Esas son cuentas del Gran Capitán”, o.a. als iemand een uit de hand gelopen begroting tracht te rechtvaardigen.

Wat wel ontegenzeggelijk vaststaat is dat Gonzalo Fernández veelal niet de juiste beloning kreeg voor de behaalde militaire successen. In 1507 keerde hij terug naar Spanje waar de koning hem nog een paar adellijke titels gaf en de daar aan verbonden revenuen, maar verder geen gebruik meer maakte van zijn diensten.

Aangezien de meeste mensen met het verstrijken der jaren milder worden, werd ook de verhouding tussen de koning en Gonzalo beter en toen de laatste stierf, sprak koning Fernando ontroerd over de vele verdiensten van El Gran Capitán en de goede verhouding die er tussen hem en Gonzalo had bestaan.

Berry J. Prinsen