logo

Maria (1911-1995): Geboren en getogen in Marbella

maria-1911-1995-geboren-en-getogen-in-marbella-1

Dit is het levensverhaal dat Maria mij in 1992 vertelde tijdens meerdere bezoeken die ik haar bracht in het toenmalige bejaardenhuis naast de kerk in het centrum van Marbella. Een leven dat nu niet meer voor te stellen is, maar men wist niet beter. Het merendeel der bevolking was analfabeet en hun wereld beperkte zich hoofdzakelijk tot de plaats waar ze geboren werden. Maria had een opgewekte natuur en moest meerdere malen lachen als ik blijk gaf van mijn onwetendheid over de bittere armoede die in haar jeugd heerste.

Men moet haar verhaal niet zien als een exact historische weergave, maar het geeft wel een idee over het leven in Marbella van die tijd. Sommige namen zijn om reden van privacy veranderd, maar verder is het nu volgende een nauwkeurig verslag van hetgeen Maria mij toevertrouwde.


De vroege jaren

maria-1911-1995-geboren-en-getogen-in-marbella-2

“Ik ben in 1911 in Marbella geboren, waar mijn vader een muilezeldrijver was. Hij verdiende de kost door vis te verkopen in de dorpen rondom Marbella, zoals Monda en San Pedro. Iedere morgen ging hij om 3 of 5 of 6 uur naar de haven, afhankelijk van de tijd dat de vissersboten binnenliepen, en kocht dan zo’n 15 tot 20 kilo vis voor 4 duros (20 pesetas). Dit werd vervolgens boven op zijn muilezel geladen, waarna mijn vader naar Monda vertrok, waar hij drie uur later aankwam. Daar werd de vis aan een man verkocht die er 25 peseta’s voor betaalde, zodat mijn vader een winst van 5 pesetas had gemaakt.

Men kon ook gemalen ijs kopen om de vis koel te houden, maar daar had mijn vader geen geld voor en aangezien hij al vroeg op pad ging, was de zon nauwelijks op zodat de vis min of meer vers in Monda aankwam. De man die de vis van mijn vader kocht bewaarde hem vervolgens op ijs om hem later op de dag aan de dorpelingen te verkopen.

Van deze vijf pesetas, die niet iedere dag verdiend werden (want met slecht weer bleven de vissers thuis), moest mijn vader ons gezin en de muilezel van voedsel voorzien. Ons gezin bestond uit zeven kinderen en mijn ouders. We woonden in een kleine tweekamerwoning en mijn moeder moest hard werken teneinde wat extra geld te verdienen aangezien mijn vader vaak niet genoeg geld had om eten voor ons te kopen. Mijn moeder deed de was voor het enige hotel dat Marbella rijk was. Dat was ‘La Fonda van Mariquita Cueva’, gelegen in een zijstraat van het Sinaasappelplein. Rijke mensen uit Madrid logeerden daar ‘s zomers om in de zee te kunnen zwemmen.

maria-1911-1995-geboren-en-getogen-in-marbella-3

Marbella in die dagen, ik spreek nu van de jaren 1910-1936, was een arm vissersdorp, maar iedereen kende elkaar en misdaad kwam nauwelijks voor. We lieten onze deuren de gehele nacht open, er was trouwens toch niets te stelen, want niemand had iets van waarde. We waren allemaal ‘muy señorito’ en ieder jaar, tijdens de kermis, kochten de mannen een nieuwe strohoed en zagen er piekfijn uit in hun beste kleren die dan speciaal voor die gelegenheid werden aangetrokken. Mijn vader betaalde iedere maand 3 pesetas huur en 1 peseta voor het licht, maar ik herinner mij vele keren dat hij dat niet kon betalen.”

Toen ik Maria vroeg hoe haar keuken eruitzag in die tijd, barstte ze in lachen uit. Ze vertelde dat er één kamer was waar ze allemaal in sliepen, alle zeven‚ terwijl de andere kamer als werkruimte dienstdeed.

“Hier deed mijn moeder de was voor het hotel”, vervolgde Maria, “en mijn vader verrichtte er kleine herstelwerkzaamheden aan de tuigage van de muilezel. Het eten werd ook in deze ruimte klaargemaakt en een ‘carbonero’ kwam langs om houtskool te verkopen waarop gekookt werd. Een kilo houtskool kostte drie perrilas (equivalent aan 15 centimos, tot in de jaren zeventig werd een peseta verdeeld in 100 centimos). Er was ook een binnenplaats – niet zoals de mooie patio’s die je nu ziet – waar we ons wasten en onze behoeften deden, daar werd dan een emmer water over gegooid waarna alles door een gat in een hoek verdween. Het was pas na de burgeroorlog dat de huizen van toiletten werden voorzien.

Er was geen ander dorp zoals Marbella, niemand had geld maar iedereen gedroeg zich. De vissersboten werden op het strand voor de vuurtoren getrokken en iedere morgen kwamen ze volgeladen met vis aan. Er was een man die Antonio heette, hij was de ‘llamador’ (omroeper) en iedere morgen ging hij langs de huizen om de vrouwen te vertellen dat hun man was teruggekeerd van zee. De vrouwen maakten vervolgens eten en koffie klaar en gingen naar het strand om met hun echtgenoten het ontbijt te nuttigen. Er waren in die dagen geen koffiehuizen, niemand had trouwens geld om iemand anders zijn koffie of ontbijt klaar te laten maken. De vissersboten kwamen tussen 3 en 6 uur ’s morgens aan en nadat de vrouwen met hun mannen hadden ontbeten, werd de vis verkocht en gingen de mannen weer naar zee.”


De tienertijd

maria-1911-1995-geboren-en-getogen-in-marbella-4

“In heel Marbella was er niet één school. De rijke mensen zonden hun kinderen naar Madrid of Málaga of hadden soms een privéleraar aan huis. Als oudste moest ik mijn moeder helpen met de andere zes kinderen en ik werkte ook in het huis van Anna Muñez, een familielid van ons. Haar man was later één van de eersten die bij een verkeersongeval in Marbella om het leven kwam. Toen hij terugkwam van Algeciras met een vrachtwagen vol vis, reed hij in op een auto op de hoofdweg en de arme man overleed aan zijn verwondingen in het ziekenhuis van Málaga.

In onze jeugd, toen we de leeftijd van 15 tot 20 jaar hadden, flaneerden we in het Alameda park of op het Sinaasappelplein. Die zagen er nog niet zo mooi uit als nu en op het Sinaasappelplein waren slechts een paar grote bomen en houten banken om op te zitten. Ik liep dan op en neer met een paar vriendinnen in onze beste kleren en witte touwsandalen. Later op de avond ontmoetten alle jongens en meisjes elkaar in een bar aan de hoofdweg tegenover waar nu de Cartier winkel is. Die bar heette Don Jose Ota en werd later bar Cantabrico genoemd. We dronken er koffie of een cola voor de prijs van één real (een peseta bestond uit vier reales).

Gedurende mijn jeugd heb ik vier keer de Juanar beklommen en gingen we vaak de bergen in met een hele groep jonge mensen om bessen te plukken. Er werd nooit gevochten en het drugsprobleem bestond toen nog niet; we leefden heel gezond in die dagen. Er was een ‘taberna’ vlak bij de Puente Málaga waar we gingen dansen gedurende carnaval in februari en ook tijdens de ‘Fiesta de Mascaras’ wanneer iedereen een masker droeg”.

Toen ik Maria vroeg of een meisje wel eens zwanger werd voor het huwelijk, begon ze te grinniken en zei: “Natuurlijk raakte iemand wel eens in verwachting, maar er bestond een erecode en de jongens zorgden er altijd voor om op tijd met hun meisje voor het altaar te staan! Ongeveer de helft van de bevolking ging iedere zondag naar de kerk, maar op speciale feestdagen ging iedereen. Er waren een paar stevige drinkers die vaak dronken waren, maar er werd gelukkig nooit gevochten. Mijn vader was af en toe dronken, want hij hield van een glas wijn.”


De burgeroorlog

“Toen de Burgeroorlog losbarstte in 1936, was ik 25 jaar. Ik was net een jaar getrouwd en had een dochtertje van 20 dagen oud. Het merendeel van de bevolking van Marbella vluchtte de bergen in of naar Málaga. Franco was met zijn Marokkaanse troepen in La Linea geland en het gerucht deed de ronde dat zijn soldaten de borsten afsneden van iedere vrouw die niet met hun beweging sympathiseerde. Je moet niet vergeten dat er geen radio of televisie was zodat we de vreemdste geruchten hoorden en iedereen in paniek raakte. Ik kwam uiteindelijk met mijn familie terecht in een huis voor vluchtelingen in Málaga‚ dat was in maart 1936‚ maar na een maand gingen we terug naar Marbella. Het merendeel der huizen was geplunderd, maar een vriendin van mij, die heel moedig was achtergebleven, had iets van ons huisraad veilig kunnen stellen. Er was veel wantrouwen onder de bevolking en meerdere mensen werden op laffe wijze vermoord. Je wist nooit wie er aan de macht was in die dagen, zodat mensen voortdurend van politieke kleur veranderden. Na de oorlog werd de eerste school in Marbella geopend door Don Juan Belon; hij was zowel eigenaar als onderwijzer van die instelling.”


Overpeinzingen

maria-1911-1995-geboren-en-getogen-in-marbella-5

“Mijn echtgenoot, Juan Garcia Lopez, was kapitein op een klein vissersvaartuig dat toebehoorde aan de familie Lima. We hadden zeven kinderen, waarvan vier nog in leven zijn. Mijn man stierf toen hij 54 jaar oud was. Hij was een goede vader en een goede echtgenoot. Hij viste voor de kust van Fuengirola, Estepona en Algeciras, soms drie tot vier dagen, waarna hij thuis kwam met 1000 pesetas of minder. Dat was nauwelijks genoeg om ons in leven te houden, maar op de een of andere wijze slaagden we er in om te overleven.

Mijn weduwenpensioen is 16000 pesetas per maand en van de staat krijg ik maandelijks ook nog 32000 pesetas. Ik betaal hier 27000 pesetas voor mijn pension. Iedere dag krijg ik een insuline-injectie, want ik ben suikerpatiënte. Ik ben altijd een slavin voor mijn man en kinderen geweest, maar heb er geen spijt van. Tezamen waren we gelukkig en ik heb mijzelf opgeofferd voor mijn kinderen.

Vijftien jaar geleden ging ik met één van mijn zoons naar de Canarische Eilanden. Hij werkte daar als ober en ik bracht vijf dagen met hem door. Ik was wel bang in het vliegtuig, maar mijn zoon was aldoor bij mij, zodat ik niet in paniek raakte. Behalve die reis en meerdere bustochten naar Málaga, toen mijn man daar in het ziekenhuis lag, ben ik nooit verder geweest dan Ojen en Monda. Ik heb nog nooit in een trein gezeten.”

Maria vertelde mij dit alles vanuit haar schommelstoel, zich koelte toewuivend met de onvermijdelijke waaier. Een portret van de maagd Maria had een ereplaats boven het bed gekregen.

Luisterend naar deze vrouw, die met haar 81 jaar zonder enig spoor van bitterheid haar levensverhaal vertelde, moest ik denken aan de Amerikaanse schrijver William Faulkner, die ooit zei dat het vermogen om te lijden een fundamentele deugd van de mensheid is.

Berry J. Prinsen