logo

nederlandse-leenwoorden-in-de-spaanse-taal-1 Nederlandse leenwoorden in de Spaanse taal

Volgens sommige taalkundigen zijn er meer dan 150 Nederlandse leenwoorden in de Spaanse taal te vinden, teveel om op te noemen natuurlijk, maar we zullen een paar noemenswaardige woorden in het volgende schrijven behandelen.

De term leenwoorden doet het vermoeden rijzen dat het om iets tijdelijks gaat en hoewel een taal altijd aan verandering onderhevig is gaat het hier toch vaak om woorden die al een paar eeuwen hun plaats hebben gevonden in de Spaanse taal. Gezien de geschiedenis van het nijvere volkje in de Lage Landen - want Nederland en België bestaan in de huidige vorm pas sinds 1815 en 1830 - is dit niet verwonderlijk. Zeevaart, wetenschap en industrie hebben in grote mate bijgedragen aan de internationalisering van deze woorden, maar soms zijn ze zo aan de nieuwe taal aangepast dat ze nog moeilijk te herkennen zijn.

Denk bijvoorbeeld aan de Nederlandse woorden rosbief, ledikant en kano die ooit respectievelijk uit het Engels, Frans en Spaans zijn overgenomen. En wat dacht u van pierewaaien, een oer-Nederlands woord op het eerste gezicht maar toch echt aan het Russische pirovát ontleend. Ook is vanaf de tijd dat Karel I (de latere keizer Karel V) met zijn, voornamelijk uit Vlamingen bestaande, hofhouding in 1517 vanuit Gent naar Spanje vertrok, de Spaanse taal onvermijdelijk verrijkt met diverse woorden uit het Nederlands. Het is tevens de eerste keer dat in Spanje het woord flamenco in verschillende betekenissen opduikt.

nederlandse-leenwoorden-in-de-spaanse-taal-2

Een van de oudste Nederlandse woorden ‘dijk’ is omstreeks 1550 in de Spaanse taal terecht gekomen als dique maar het woord polder deed, onveranderd, pas in 1917 zijn intrede in de Spaanse woordenboeken, alhoewel het sinds 1700 al vermeld wordt in diverse documenten.
Het woord berm werd als berma reeds gebruikt door de Spaanse genie in de middeleeuwen, waar het een belangrijke functie had tijdens de oorlogsvoering. Koolzaad werd colza en dook omstreeks 1675 voor het eerst op in Spanje. Het hier aan verwante koolsla kwam via een omweg in Spanje terecht, de Engelsen maakten van dit oorspronkelijk typisch Nederlands gerecht coleslaw en omstreeks 1982 raakte dit woord ook in zwang in Spanje.
Via het Frans zijn de woorden bolwerk en boulevard als baluarte en bulevar in de Spaanse taal terecht gekomen. De Fransen maakten van ons bolwerk het woord balouart maar ook boulevard dat onveranderd terug kwam in de Nederlandse taal, maar dus als bulevar in Spanje.

Op nautisch gebied heeft het Nederlands aan vele talen woorden geleend en zo zijn babor (bakboord), estribor (stuurboord), bauprés (boegspriet), corbeta (korvet) en yate (jacht) al een paar honderd jaar deel van de Spaanse woordenschat.

Belduque is nog steeds het Spaanse woord voor een groot puntig mes dat omstreeks 1500 in ´s Hertogenbosch gemaakt werd. De naam is een verbastering van Bosque del Duque, de Spaanse naam voor deze stad. Dat het Spaanse escaparate (uitstalkast-etalage) is afgeleid van ons woord pottenkast, wordt begrijpelijk als men weet dat diezelfde pottenkast omstreeks 1300 een schaprade of ook wel schapraai genoemd werd in Brugge en omstreken.

Een flamenca is in Andalusië een vrouw die beweeglijk en vlot is, terwijl het in Zuid-Amerika vaak betrekking heeft op een struise, goed uitziende vrouw, oftewel ‘una mujer de buenas carnes’, wat letterlijk vertaald betekent: een vrouw die goed in haar vlees zit.

Tot slot hebben we de eponiemen, strikt genomen geen leenwoorden maar woorden, afgeleid van eigennamen en daardoor bijna onveranderd in vele talen terecht gekomen. In dit geval gaat het om twee Belgen, te weten A.J. Sax (1814-1894), de uitvinder van de saxofoon (saxófono in het Spaans) en L.H.A. Bakeland (1863-1944), de chemicus die het bakeliet uitvond (baquelita in het Spaans). In dit verband is het ook nog leuk om te vermelden dat we internationaal het woord gas ook te danken hebben aan een Belg en wel de chemicus Jan Baptist van Helmont die het woord vormde uit het Griekse woord chaos.

Berry J. Prinsen