logo
ojen-kapelletje-in-de-bergen-1

Ojén, een kapelletje in de bergen en nog een paar zaken

Vanaf het hotel Refugio de Juanar loopt een korte wandelroute (5 km) naar beneden die eindigt in de hoogst gelegen buitenwijk van het dorp Ojén. Dit hotel bereikt men vanaf Marbella of Coín via de A 355, en komende van Marbella slaat men even voorbij Ojén linksaf naar de MA 5300, een zeer bochtige, geasfalteerde weg die naar het hotel voert.

Hier begint de wandeling op een breed pad naar de Mirador die een prachtig uitzicht verschaft op Marbella, maar wij slaan al na een paar honderd meter linksaf naar het duidelijk aangegeven pad dat ons naar Ojén voert. Ongeveer een half uur af en toe sterk dalend met hier en daar een rotsblok of een omgewaaide boom het smalle pad versperrend, komen we dan bij een driesprong waar we rechts afslaan; het pad wordt nu nog smaller en is zelfs gedeeltelijk overgroeid. Een kwartier na de driesprong zien we aan de linkerkant  een eenvoudig kapelletje, eigenlijk een ongeveer 10 vierkante meter omheinde ruimte tegen een steile rotswand en afgesloten met een ijzeren hek, waarboven in kloeke letters AVE MARIA PURISIMA te lezen is. Dit slaat op het beeld dat hier te zien is van de maagd Maria, omgeven met de daarbij behorende prullaria zoals kettinkjes, bidprentjes en sleutelhangers. Aan haar linkerzijde is ook een klein beeld van Jezus geplaatst en twee dicht bij het hek staande algarrobos (johannesbroodbomen) zorgen voor de benodigde schaduw. Rondom Maria liggen half opgebrande kaarsen, achtergelaten door devote bezoekers van deze ermita. Aan de binnenkant van het hek is een stenen zitbank gemetseld waarop men in alle rust zijn  gedachten kan ordenen bij deze aandoenlijke bewijzen van de in Andalusië alom aanwezige Mariaverering. Van hier uit is het nog een kwartier lopen naar Ojén via een onverlichte tunnel onder de A 355, dus is het verstandig een zaklantaarn mee te nemen.

Tijdens mijn laatste bezoek aan het dorp ging ik me te buiten aan een smakelijk hapje en de man achter de bar sneed bekwaam een paar flinterdunne plakjes jamón serrano zijnde mijn nagerecht. Het snijwerk leverde commentaar op van de vaste jongens, waarna een lange discussie ontstond die het verblijf in een Spaanse horecagelegenheid altijd veraangenamen vanwege de taalkundige vaardigheid waarmee deze gesprekken veelal gevoerd worden. De juiste invalshoek van het mes, een licht gekantelde schouder, alsmede de heersende luchtvochtigheid, bleken allemaal een belangrijke rol te spelen, teneinde een acceptabele portie jamón te kunnen snijden.

Ondertussen stond een Duitse vrouw na het uiten van de woorden “Was gibt es also zu essen hier?” besluiteloos voor de bar, want de barman verstond geen buitenlands. Gelukkig werd een man in een veelkleurig trainingspak door zijn maten aangespoord met de woorden: “Regel jij dat even, want jij spreekt een beetje Engels”, waarbij vermeld moet worden dat voor veel Spanjaarden Engels de verzamelnaam is voor alle talen die ze niet kunnen verstaan. Het trainingspak liep naar de vrouw, bewoog zijn wijsvinger in de richting van zijn mond en begeleidde dit met het woord mangare wat een verheugde blik en instemmend hoofdgeknik teweeg bracht bij de Duitse. “Ze wil eten”, voegde hij daarna op autoritaire wijze de barman toe, die vervolgens onder het toeziend oog van de Duitse de verschillende schotels aanwees die in de koelvitrine uitgestald waren.

Op mijn vraag of iemand iets wist van de geschiedenis van het kapelletje, vertelde de waard met enige trots dat zijn broer de geschiedschrijver van het dorp was: “El sabe todo de la historia del pueblo” (hij weet alles van de geschiedenis van het dorp). Toen ik echter vroeg waar ik zijn broer kon treffen, krabde hij zich op zijn dunbehaarde schedel en zei na een korte pauze: “Dat wordt moeilijk, want hij woont nu in Madrid.”  Het bleek dat die broer ook niet over een e-mail adres beschikte, maar toen werd mij een bejaard mannetje aangewezen dat wel wat zou weten over dat kapelletje. Tot mijn verbazing kreeg ik vervolgens een  gedetailleerde routebeschrijving waarbij bijna iedere berghelling, boom, struik of rotsblok vermeld werd met zijn eigen naam. Men moet bedenken dat niet zo lang geleden traditionele activiteiten als het hoeden van vee, het maken van kalk of houtskool en de bijenteelt, allemaal buiten de bebouwde kom, in dit geval dus in de bergen, plaats vonden. Iedere bewoner had dan ook een soort stratenplan in zijn hoofd om precies te kunnen vertellen waar hij heen ging, want de eerste berg rechts was natuurlijk een te onnauwkeurige aanduiding. Ik knikte af en toe en onderbrak de bejaarde Ojeño - zoals de bewoners van Ojén genoemd worden - twee keer door te zeggen dat de route mij bekend was, waarop hij begrijpend knikte en weer van voren af aan begon met het noemen van alle plaatsen die men moest passeren teneinde bij het bedevaartsoord te komen. Na nog eens - maar nu aanzienlijk luider - mijn vraag herhaald te hebben, begreep hij eindelijk wat ik wilde en vertelde dat zijn eerste wandeling naar het kapelletje dateerde uit 1952 en dat de ouderen in die tijd waarschijnlijk dit eerbetoon aan de maagd Maria hadden gemaakt, maar verder kon hij me ook niet wijzer maken. Later in het dorp trachtte ik nogmaals een bejaarde inwoner enige informatie te ontfutselen over het bedevaartsplaatsje en kreeg het volgende te horen: “Ja, ja, in mijn jeugd was het er al, ik zelf ben er nooit geweest, maar  El Sabio (De Wijze) wist er alles over te vertellen en heeft menigmaal toeristen naar deze plek gebracht.” Verheugd vroeg ik waar El Sabio woonde en kreeg toen als antwoord: “Oh die is al in 1950 overleden.”                     
                                                                                                                                                                                              
Afijn, men kan niet altijd de informatie krijgen die men zoekt en we hadden uiteindelijk toch nog een leuk gesprek over olijfolie, Real Madrid en de plaats die hij voor zichzelf al uitgezocht had op het kerkhof.

Oh ja, voor dat ik het vergeet, bezoek ook eens de Cueva de las Columnas die zich bevindt in de steile rotswand langs de oude hoofdstraat van Ojén. Men moet dan wel 72 treden omhoog, maar het uitzicht is de moeite waard. Als u “YouTube Ojén Berry Prinsen” googelt ziet u de video die ik van het panorama gemaakt heb.

Berry J. Prinsen