Verhaal achter moedertaal: over ongemak, herkenning en begrip

16 Februari 2020

over-ongemak-herkenning-en-begrip-1

Nou, de titel klinkt in ieder geval alvast verwarrend. Ik ben een Groningse van het platteland en praat met “de mijnen” ons dialect. Geen accent of zo. Nee, zo plat en zo rauw als dat dialect maar zijn kan.

Omdat de meesten van ons vanwege werkomstandigheden inmiddels uit Groningen naar het westen en het midden van het land zijn vertrokken, praten we in gezelschap van Nederlands-pratenden (die noemen we Hollanders) geen dialect meer maar onder elkaar nog steeds wel.

Dat gaat niet zomaar over als je tweetalig met Nederlands en Gronings bent opgevoed zoals wij. We hebben het netjes kunnen scheiden. Thuis Gronings en op school Nederlands. Met schoolvriendinnen die van huis uit Nederlands spraken, praatten we ook Nederlands. Met Groningers natuurlijk direct weer dialect. Flexibel switchen we heen en weer.

Maar als je als Grunneger altijd op school vrienden van het dialect had, kon de overgang lastiger zijn. Dat bleek op een verjaardag in Groningen waar een paar Hollanders deel van uitmaakten. We hadden in de familie afgesproken dat we ons uiterste best zouden doen om geen dialect te spreken, ook niet onder elkaar. Kwestie van gastvrijheid en fatsoen.

Maar oh, wat was het lastig om Nederlands te praten tegen Grunnegers waar je altijd “gewoon” mee praat. En daar zit de kern: het woord “gewoon”. Als je dat switchen van taal namelijk niet gewend bent, dan kun je dat ervaren als een soort verraad. Zo was een vriend van ons niet van plan om überhaupt maar iets te zeggen aan tafel. Hij vond het hoogst gênant om Nederlands te praten tegen een Grunneger. Alsof hij die andere Grunneger dan voor de gek hield.

Nou gaat dat uiteindelijk wel over naarmate men meer met Hollanders te maken krijgt, maar het is een relevant punt omdat je van onfatsoen beticht wordt. Wellicht herkennen Friezen en Limburgers zich hier ook in. Vergelijkt u het zelf maar met de situatie dat u een Engels-sprekende vriend of kennis in de kring krijgt, en dan dus in diens bijzijn ook Engels moet blijven praten tegen de andere aanwezigen. Ja, voor het fatsoen ook tegen uw partner. Best lastig toch?

Aan de Costa zal dat regelmatig gebeuren. Iedereen moet meekrijgen wat er gezegd wordt. Maar als je een onder-onsje hebt, hoeft dat natuurlijk niet altijd zolang de ander begrijpt dat het niet opzettelijk is om iemand buiten te sluiten. Daarom leg ik dit graag uit aan die andere.

Mijn zus en ik stonden bij de toonbank van de telefoonwinkel. De eigenaar met Turkse tongval stond voorovergebogen iets te doen met de telefoon van mijn zus. Mijn zus en ik kletsten wat, in het Gronings. Ik vroeg haar iets waarop de eigenaar opkeek en het antwoord gaf. We lachten en ik zei “Ja, sorry hoor. We zijn Groningers”.

Alsof dat verklaarde waarom we ons verscholen achter onze eigen taal. Hij had het verstaan omdat hij een tijd in Groningen had gewoond. We voelden ons even verwant met zijn accent en Turkse roots. Ik vertelde hem toen hoe weinig begrip de één soms heeft voor de ander puur uit onwetendheid.

Zoals in mijn schoonfamilie waar een Groninger getrouwd is met een Surinaamse. Op de eerste de beste verjaardag waren daar de beide Groningse en Surinaamse families. Beide families bleven nog wat in hun eigen vertrouwde hoek, maar er werd aan weerszijden gezellig gekletst. Achteraf zei mijn schoonmoeder dat ze het heel leuk had gevonden maar wel raar dat die familie gewoon in hun eigen taal bleef praten. Dat was toch niet netjes?

Nou moe, zei ik, jullie bleven ook alleen maar Gronings praten. Jullie deden dus precies hetzelfde! Na even nadenken, schaterde ze het uit. “Warempel, dat is ook zo.” Als er toch even onderling Surinaams of Gronings wordt gesproken, kijkt niemand er meer van op. Want we begrijpen elkaar.

En de eigenaar van de telefoonwinkel? Zijn ogen twinkelden. Zijn lach werd groot. Ook voor hem was het heel herkenbaar. Zo leuk dat we met verschillende talen en culturen toch allemaal hetzelfde zijn.

Jannie Bunk