logo

wat-een-werk-1 Wat een werk!

Vol trots laat ik de bezoekers ons landgoed zien. We beginnen bij het ingevallen huisje dat wat opgeknapt zal worden. Het is 19 vierkante meter en verdeeld in twee ruimtes die op dit moment beide gedeeltelijk dakloos zijn. “Dat lijkt wel een oude voertrog”, merkt een vriend op. “Ja, dat is het ook, de helft van het huisje was stal en in de andere helft leefde de boer met zijn gezin.” “En gaan jullie hier dan in wonen?” Ik zie een kritisch oog naar de ingestorte muren en de rotte balken kijken.
“Wat een werk! Wel leuk hoor maar wat een werk.”

Over een ietwat zichtbaar pad lopen we naar beneden. “Op dit terras ga ik mijn moestuin maken”, zeg ik enthousiast. Ik zie mijn vrienden naar het met bramen overgroeide stukje land kijken en een blik met elkaar wisselen. “Omdat de terrasmuren hier hoog zijn, heb ik niet veel afzetting nodig om de wilde zwijnen en de herten buiten te houden”, ga ik vrolijk verder. In mijn gedachten zie ik de groenten al staan, maar ik zie aan hun gezichten dat ik daar de enige in ben. “Dus je gaat al die bramenstruiken weghalen? Daar zal je wel een poosje zoet mee zijn, wat een werk.”

We vervolgen de rondleiding in een andere vallei, waar alleen het scherpe oog van mijn wederhelft ziet waar er ooit een pad is geweest. We banen ons een weg door de struiken. Met de plaatjes al in mijn hoofd vertel ik waar de vakantiehuisjes, de bar, het natuurlijke zwembad en het nieuwe huis komen, als de vergunningen rond zijn.

Zuchtend kijken ze rond. “Fantastisch mooi hier en die rust is zalig.” Ik sta erbij te glunderen als een kind. “Maar wat een werk!”, komt er steevast achteraan. De bezoekers vertellen dat ze echt aan vakantie toe waren.
Er komen verhalen los over stressvolle banen en overvolle agenda’s.

Mijn gedachten dwalen af naar mijn oude leven in Nederland. Om 6 uur in de ochtend zat ik in de auto om de file voor te zijn. Meestal bleef ik op mijn werk tot na de spits. Na het eten had ik vaak nog ergens een afspraak. Wanneer ik dan doodmoe laat naar bed ging, lag ik regelmatig te woelen met mijn gedachten bij de stapel werk die op mijn bureau lag te wachten. Glimlachend denk ik: “Wat een werk!”

Nu ga ik iedere dag volledig in mijn eigen ritme aan de slag met de snoeischaar en luister ondertussen naar het gezang van vogeltjes, terwijl mijn hond vrolijk om mij heen dartelt.

Met een compleet leeg hoofd en een voldaan gevoel val ik ’s avonds als een blok in slaap.

Marja Baarslag